maandag 31 maart 2014

Coaching de oorlog verklaard!


Het nieuwe boek van mijn voormalige docent en huidige collega Bert Coenen, ligt al een tijdje op mijn stapel ‘te lezen’.

“Kun je er iets over schrijven in je blog ”, vroeg Bert toen het boek klaar was? Dat wil ik graag, want ik vind dat Bert iets te melden heeft aan begeleidend Nederland. Zolang ik hem ken is hij al op zoek (niet alleen als lector Begeleidingskunde aan de Transfergroep van de Hogeschool van Rotterdam, maar vooral als Bert) naar hoe je het begeleiden van mensen zo vorm kan geven dat het leidt tot het genereren van ruimte, lucht en creativiteit. Hij heeft zelf een creatieve motor en slingert die ook graag bij anderen aan. Wetend dat wij ons bevinden in een tijd waarin de illusie wordt gewekt dat er overal oplossingen voor zijn (zie ook weer de laatste managementboekmagazine 29/3/14, met titels als ‘Het perfecte project’, ‘Doelbewust organiseren’ of ‘Management zoals het bedoeld is’ - goocheldozen worden ze in het boek genoemd), zoekt Bert naar wegen voor de begeleidingskundige, die daar juist vanaf buigen om zo recht te doen aan de complexiteit.
Hij onderbouwt in zijn boek dat veel van de methoden die worden ontwikkeld vanuit de gedachte ‘het kan/moet beter’, de werkelijkheid versimpelen en daarmee dus geweld aandoen. Je laat door je keuze voor het ene, het andere onzichtbaar. Uiteindelijk, zo stelt hij, zijn deze oplossingsgerichte begeleidingsmethoden gericht op aanpassing. In dit boek bouwt hij voort op zijn vorige boeken ‘Het verborgen lijden in organisaties’ (Nelissen, Soest 2004) en ‘Schuren, knutselen en schooieren’ (Nelissen, Soest 2009).

En het boek heeft best een tijdje op de stapel gelegen.

Bert had er al eens kleine stukjes uit geciteerd en gebruikte daarbij woorden die ik moest opzoeken in het woordenboek en dat deed bij mij het vermoeden ontstaan, dat ik wel even moest gaan zitten voor dit boek. Ik moest ook even wennen aan de titel. Is Bert nu echt activist geworden, vroeg ik me af? Gaat hij (nog meer) ten strijde trekken tegen de heilige huisjes van de coaching en supervisie? Maar de ondertitel ‘een driedimensionale benadering van denken en handelen bij begeleiding en verandering’ kwam toch wel weer heel verstandig over, en degelijk. Deze verwarring stelde het lezen uit.

Toen ik in het boek begon, las ik in de eerste zin dat het geen boek is dat ik ging lezen, maar een manifest. Dat riep bij mij direct de associatie met Karl Marx op, en mijn eigen studietijd begin jaren ’80. Een manifest is een ‘openbare tekst met een duidelijk standpunt’ of een ‘openbare verklaring’. Er wil een statement gemaakt worden, stelling genomen worden, een gesprek op gang gebracht worden.
Het duidelijke standpunt dat in dit boek wordt uitgewerkt komt in grote lijnen hier op neer: Onze wereld wordt steeds complexer. Onze neiging is om te gaan versimpelen om greep te krijgen op die complexiteit. Wij organiseren lijstjes, regeltjes en eisen transparantie om maar te kunnen volgen en beheersen. Dit gebeurt ook in de begeleiding van medewerkers: 5 gesprekken, liefst volgens methode A, X of Y en ‘het probleem is weer beheersbaar’.
Bert Coenen pleit (al jaren) voor begeleiding als voortdurend ethisch gesprek (relationeel, dat wil zeggen in relatie tot de omgeving - in tegenstelling tot gericht op de relatie met de ander, zoals in veel begeleidingsvormen centraal staat). Niet helpen om een definitieve oplossing te vinden, want die is morgen zeker al weer achterhaald - want te simpel - maar juist streven naar een (relationele, van de situatie/context afhankelijke) basis waar vanuit je binnen die voortdurend veranderende context toch samen stappen kunt zetten (de dimensie van het politieke in de begeleiding). De rol van de begeleidingskundige wordt daarin die van activist. Iemand die er staat, stelling durft te nemen, woorden helpt geven aan dat wat onuitgesproken blijft, en mensen aanzet tot het zoeken naar oplossingen voor die situatie, op dat moment en onder die omstandigheden. De begeleidingskundige is daarin geen watje die met alle winden meewaait, maar juist iemand die zorgt dat recht gedaan wordt aan de verschillende perspectieven en belangen: aan de complexiteit en het politieke aspect. Want wie zal baat moeten hebben bij de begeleiding? De organisatie, de medewerker, de klant, de burger, de samenleving, het milieu? Het aanwezig zijn van deze verschillende belangen vraagt dat de begeleidingskundige in staat is nuance aan te brengen en uit het zwart - wit denken blijft. Hij moet kunnen schuiven, knutselen en schooieren!

En dan terug naar de titel “Coaching de oorlog verklaard!”.

Hij prikkelt zeker, maar hij schuurt vind ik, met de inhoud van het manifest. Daarin wordt immers juist gepleit voor het loslaten van de versimpelende metaforen en te gaan zoeken in de verschuivende metonymen. Het boek gaat ook over veel meer, dan alleen over coaching. Er wordt een poging gedaan om anders te kijken naar begeleidingskunde, namelijk vanuit de diagonaal, juist om uit die tegenstelling - die ‘oorlog’ tussen goed en kwaad - te blijven om verder te kunnen bouwen op dat wat al eerder is bedacht en geschreven.
In mijn volgende blog zal ik iets schrijven over dat diagonale denken waar in het boek voor wordt gepleit.

Wat mij betreft kan de titel van het boek in de volgende druk diagonaal worden gewijzigd in “Begeleidingskunde op de helling?”!





Coaching de oorlog verklaard! is uitgegeven door 2010 Uitgevers, Rotterdam, 2013)

donderdag 29 augustus 2013

Stoppen met motiveren


“Veel leidinggevenden proberen hun medewerkers te motiveren, mee te krijgen, te coachen en te ontwikkelen. Dat heeft echter vaak een averechtse uitwerking”.  Dit staat op de achterkant van het boek is Stoppen met leidinggeven van Watze Hepkema.

Daar sta je dan als manager die af wil van de bevelsverhouding en de afgelopen jaren vele trainingen in coachend leidinggeven heeft gevolgd om beter gemotiveerd personeel te krijgen. Of als trainer die daar zijn brood mee verdient. Wat nu?

Hepkema geeft in zijn boek op een heldere en simpele manier een onderbouwing voor zijn stelling en hij geeft ook aan wat een manager wel zou kunnen doen. Daarmee geeft hij handvatten om invulling te geven aan de begrippen resultaatsturing en loslaten, waar momenteel veel managers hun mond van vol hebben (zeker ook in het kader van Het Nieuwe Werken!), maar ondertussen met lege handen staan, omdat ze eigenlijk niet weten hoe ze het goed vorm moeten geven.

Hepkema beschrijft 4 posities waarin leidinggevende en medewerker terecht kunnen komen en die volgens hem niet wenselijk zijn: de redder, de assistent, de bestraffer en de klager. Vanuit alle posities worden onbewuste signalen uitgezonden. De redder voelt zich eigenlijk surperieur ten opzichte van de ander. Hij helpt jou en hoopt dat je dankbaar zult zijn. Zelf heeft hij geen hulp nodig. De assistent toont zich eveneens hulpvaardig, maar op een onderschikkende wijze. De impliciete boodschap is: als ik mijn best doe voor jou, wil je dan aardig zijn voor mij? De bestraffer is kritisch vanuit de hoogte: scherp, veroordelend, bestraffend. De impliciete boodschap is: je moet doen wat ik wil, anders zwaait er wat. De klager is kritisch vanuit de onder positie. De impliciete boodschap is: wat je nu doet, is gemeen; doe wat anders, help me.
Kenmerk van deze posities is dat ze elkaar in stand houden en dat de actoren in een gesprek gemakkelijk van de ene naar de andere positie schuiven (van beschuldigend naar slachtoffer bijvoorbeeld); ze blijven echter binnen de cirkel en afhankelijk van elkaar. De stelling van Hepkema is dat motiveren ook binnen de cirkel plaatsvindt. Soms expliciet, veelal via de impliciete boodschappen.

Dus wat dan? Nou eigenlijk heel simpel: Stop met motiveren en benoem alleen duidelijk wat je wilt en vraag vervolgens de ander om aan  te geven hoe hij daarvoor gaat zorgen en bevestig de afspraken.

Aardig is dat Hepkema hierbij het model van Situationeel Leidinggeven van Hersey en Blanchard andersom gebruikt. Dus als je benoemd hebt wat je verwacht, ga je er vanuit dat de ander dat zelf verder oppakt (je delegeert dus), mocht de ander aangeven dat hij er niet helemaal uitkomt dan ga je coachen, als dat nog onvoldoende is geef je de ander een advies en als er nog meer nodig is ga je instrueren.
Je neemt de volgende stap pas als de ander een concrete vraag stelt (dus zelf constateert dat hij het niet kan, au!), maar de ander blijft verantwoordelijk voor het vinden van de oplossing (of het antwoord op jouw vraag). Hepkema ziet dit als enige manier om uit de ongezonde afhankelijkheden van de bovengenoemde posities te blijven en dat dat zal leiden tot intrinsieke motivatie. Hij geeft veel praktische tips hoe je daarmee om kan gaan.a

Wat vinden jullie hiervan, trainers, coaches en managers die dit lezen? 
En in hoeverre is dit ook van toepassing in de hulpverleningsrelatie?


deze blog is ook gepubliceerd in februari 2011

dinsdag 20 augustus 2013

Collectieve ambitie als ankerpunt voor veranderingen


Soms vergezel ik mijn man en zoon naar een wedstrijd van Sparta-Rotterdam. De werkelijkheid in een voetbalstadion is heerlijk simpel: Je hebt de eigen club en de tegenstander. De eigen club (in dit geval dat Sparta) moet winnen. Als iemand van de eigen club ‘neergeduwd wordt’, is de tegenstander natuurlijk fout. Als de tegenstander ‘zich laat neerduwen’, dan moet hij zich niet zo aanstellen. Het is vermakelijk om alle Rotterdamse coaches op de tribune hun commentaar horen geven. En wat zij zeggen is op dat moment de waarheid: dat zie je toch met je eigen ogen!

Helaas is het in de echte wereld heel wat complexer dan in het stadion, alhoewel er een maatschappelijke tendens is om te versimpelen: de goede en de slechte, waarbij ik per definitie tot de goeden behoor en de ander tot de slechten. En met die constatering wordt ook deze simplificering complex, want iedereen is dus goed en slecht tegelijk, afhankelijk van welk perspectief je kiest.
In organisaties zie je het verschijnsel om zaken simpel te maken ook. Als het te ingewikkeld wordt, proberen we zaken maar op te knippen, waardoor we denken greep te krijgen. Die greep geldt dan echter alleen voor dat kleine stukje. En dit kan er weer toe leiden dat ieder voor zijn eigen ‘ding’ gaat, waardoor je eigenlijk alleen maar meer greep verliest. Wat de ander doet is dan namelijk niet zichtbaar meer voor jou.

In de begeleidingskunde zoeken we naar manieren waarop we ondanks de complexiteit stappen kunnen zetten, zonder de complexiteit geweld aan te doen. Hoe doen we dat bijvoorbeeld?
Weer even terug naar het voetbal. Sparta en Feyenoord supporters zullen nooit echt vrienden worden, maar ze gaan wel allebei naar  het stadion om een leuke en attractieve wedstrijd te zien. Dit zou je kunnen benoemen als hun collectieve ambitie. De collectieve ambitie is het hogere doel dat verbindt. In veranderingsprocessen in organisaties is dit een belangrijk begrip om een verandering richting te kunnen geven. De ervaring leert dat als mensen gezamenlijk een collectieve ambitie kunnen benoemen, dit hen helpt de tussenliggende hobbels te nemen. Het is geen doel op zich maar een ijkpunt: zo willen wij zijn, dit willen wij nastreven. Misschien lijkt dit nog het meest op de ‘clubliefde’ die supporters in slechte tijden toch trouw doet blijven: hier wil ik bijhoren of aan bijdragen.

Wanneer de collectieve ambitie scherp is, is het ook makkelijker om de individuele ambitie ruimte te geven: er zijn meer wegen, maar we weten wel dat we allemaal op weg zijn naar ‘Rome’.  Om routes te kiezen die voor alle partijen aanvaardbaar zijn, gebruiken we in de begeleidingskunde een begrip dat komt uit de onderzoeksmethodologie voor kwalitatief onderzoek: wederkerig adequaat. Ik vind dat een mooie term, hij stijgt uit boven goed of fout: iets is goed als alle partijen samen vinden dat het voor dit moment en onder de huidige omstandigheden de beste oplossing is. Dit past ook bij het ‘ketting rijgen’ waarover ik in mijn vorige blog schreef.

Wellicht kunnen supporters ooit een wederkerig adequate oplossing bedenken voor excessen van hun ‘clubliefde’.

woensdag 9 januari 2013

Inspiratiebron 2


Over wandelen en volgen

En nu moet ik dus - gezien de cliffhanger van mijn vorige blog - met mijn grote inspiratiebron op de proppen komen.

Eerst even een uitstapje om het spannend te houden. Laatst vroeg ik me af waarom er zoveel vrouwen van zekere leeftijd samen wandelingen maken. Je ziet ze stevig stappen over bospaden, voeten in soepele bergschoenen, windjacks aan en Youp-van-het-Hek-rugzakjes om. De monden staan niet stil. Soms hebben ze ook nog van die stokken. Waarom wandel je met een vriendin? Natuurlijk, het is gezond, maar het heeft nog een ander element in zich: samen al wandelend de vraagstukken van het leven de revue laten passeren. In alle rust je pad uitstippelen. Trouwens, de wandelcoach is ook helemaal in. Dat zijn vrouwen die tijdens een wandeling met hun vriendin hebben bedacht dat ‘samen wandelen’ heel helpend is bij het beschouwen van je ‘vraagstukken’.

Een ander uitstapje: Ik las in een boekje dat ik bij het blad Ode ontving[1] de volgende zin: “Een echte leider leidt niet, hij volgt: een droom, een ideaal, vrijheid voor het land, een goed leven voor zijn gezin” (p.79)

Wat onthullen deze twee alinea’s over mijn inspiratiebron? Het antwoord komt weer met een omweg (om het nog spannender te maken).
De laatste weken ben ik weer erg bezig met de vraag: hoe begeleid je mensen in organisaties, hoe breng je ze in beweging. En dat komt onder andere omdat ik weer (vaak mooie) verslagen aan het nakijken ben van studenten, die de VO supervisie en coaching van de Transfergroep volgen. Een van hun laatste opdrachten is een begeleidingskundige vraag te onderzoeken en daar een verslag over te schrijven. En ieder jaar wordt het me - dankzij al die verslagen -  duidelijker wat nu eigenlijk het specifieke van begeleidingskundig onderzoek is: in begeleidingskundig onderzoek wandel je mee in de organisatie (slenteren noemt mijn collega Alexander Maas dat) en je volgt. Je bespreekt de zaken die je onderweg ziet (bijvoorbeeld waar de leider naar op weg is) en stelt je vragen bij wat je ziet (bijvoorbeeld of bekend is waarnaar de leider op weg is). Je dwingt jezelf om niet te begrijpen en geen genoegen te nemen met vanzelfsprekendheden. En dan hou je een poosje je mond. Als vanzelf gaat de ander dan denken. Doordat je daarvoor ruimte geeft komen de verhalen vanzelf en ontstaat er beweging. De ander wandelt ineens mee en jij volgt weer tot de volgende kruising.
Deze ‘wandel-en-volg-benadering’ is een heel andere dan de  veel gebruikte ‘Vlieg-en-adviseer-benadering’ waarbij je een vraag van een afstand bekijkt, objectiveert en analyseert en dan de bevindingen terug geeft. Dat is fijn als je wilt weten hoe iets zit, maar het helpt niet om mensen in beweging te krijgen.

Wandelen en een ideaal volgen, welke inspiratiebron hoort daarbij?

Ik wilde heel graag een vrouwelijke inspiratiebron noemen. Hoewel er nu dus vele vrouwen wandelen, is er weinig bekend over wandelende wijze vrouwen. Er zijn wel wandelende mannen: de Griekse filosofen, Jezus, diverse pelgrims (ik bedenk me nu trouwens dat dat wel een ‘mannenwandel-ding’ is: een pelgrimstocht lopen).

Iemand die wandelend zijn ideaal volgt, gewoon tussen de mensen, in contact en geraakt door wat hij tegenkomt. Hij volgt een ideaal en daardoor komen mensen in beweging. Hij kijkt en luistert en benoemt wat pijnlijk is, ook bij mensen die dat niet willen horen. Dat vind ik een prachtig inspirerend beeld voor de begeleidingskunde: Mahatma Ghandi, dus. Die naam ga ik doorgeven als inspiratiebron.



[1] Zo had ik het nog nooit gezien, de beste verhalen uit ODE, samengesteld dor Jurriaan Kamp en Marco Visscher

donderdag 3 januari 2013

Inspiratiebron 1


Voor de Transfergroep werd ik geïnterviewd over begeleidingskunde. Hun bedoeling is om met mijn verhaal, naast dat van anderen, een beeld te geven van het vak en daarmee mensen enthousiast te maken.

Nico Adriaans
Tevens werd gevraagd wie mij geïnspireerd had tijdens mijn werkende leven. Tot mijn eigen verrassing kwam direct de naam van Nico Adriaans naar boven. Nico was in de jaren ‘80 de voorzitter dan de Rotterdamse Junkiebond. Ik leerde hem kennen op mijn eerste stagedag in de catacomben van de toenmalige Pauluskerk. Nico was daar net gestart met een eethuis voor verslaafden. Het was een van de projecten die hij samen met Hans Visser (diaconaal predikant in Rotterdam) opzette en die veel stof deden opwaaien in de kerk en de stedelijke (en later landelijke) politiek. Want waar verslaafden zijn, daar wordt drugs gebruikt. En dat was natuurlijk verboden. Nico kon zich mateloos opwinden over de hypocrisie rond verslaafden: het verbod op het gebruik vanwege de opiumwet, leidde in zijn overtuiging tot de verloedering en alle ellende die dat voor de gebruiker en de samenleving meebracht. De afhankelijkheid van middelen, maakte mensen ook afhankelijk van hulpverleners. Hulpverleners in de verslavingszorg hadden in die tijd veel macht. Deed je niet wat zij van je vroegen, dan werd je op straat gezet en verloederde je verder.

Voor deze groep bood de Pauluskerk samen met de Junkiebond opvang. Heel basaal: eten, een kopje koffie, een babbeltje, een beetje warmte en aandacht. We deden dat met vrijwilligers en stagiaires. En toen ik stage liep (1981-1982) was net het eerste project gestart: het eethuis. Er was een gebruikerskamer naast de ruimte waar gegeten werd en Nico lette op dat er geen gekke dingen gebeurden. En daar stapte ik over de drempel, 21 jaar, studente andragologie en nog nooit een verslaafde gesproken. Ik werd geïntroduceerd door Hans Visser, die een mateloos vertrouwen in mij leek te hebben, wat ik zelf nergens op gebaseerd vond. Na een eerste blik ontdooide Nico en ik werd door hem voorgesteld aan verschillende bezoekers van het eethuis. Ook aan de mensen in de gebruikerskamer, waar ik aanschouwde hoe dat ging: heroïne spuiten en ‘chinezen’. Het was allemaal erg relaxt, vond ik, en ik overwon mijn schroom en raakte met verschillende mensen in gesprek. Na het eten werd ik meegenomen naar het kantoor van de Junkiebond aan de ’s Gravendijkwal, waar een vergadering zou zijn van ‘Het Breed Front voor de Vernieuwing van het Drugbeleid’. Ik weet nog goed dat ik tussen 4 verslaafden over de Kruiskade van Rotterdam liep. Daar was het in die tijd niet echt veilig en rustig. Ik voelde me toen echter uiterst veilig.

Nico was slim, charmant, loyaal aan zijn achterban, kwetsbaar en vooral aardig. Hij vertelde mij hoe het is om aan ‘de andere kant van het hulpverlenersbureau’ te zitten. Dat is iets wat nu veel meer in de aandacht is. Toen was een hulpverlener nog veel meer de expert, degene die weet wat goed voor je is. Nico was het voorbeeld van iemand die kon empoweren. Hij hielp de weg vinden, maar liet je wel zelf lopen en obstakels overwinnen.
En dat vind ik een mooie kwaliteit voor een begeleidingskundige. Geïnspireerd oefen ik nu nog iedere dag!

Daarom staat Nico Adriaans als inspirator bij mijn verhaal over begeleidingskunde dat je op de site van de Transfergroep vindt.

En nu vroeg de transfergroep of ik nog een grotere, meer beroemde inspirator had. Daar willen ze dan ook iets over schrijven. Ik merk dat ik dat een heel moeilijke vraag vindt. Voor mij geldt vaak: hoe verder weg, hoe minder inspirerend. Toch over nagedacht en in mijn volgende blog onthul ik welke naam ik genoemd heb.

zondag 16 december 2012

Be-zinnen


In veel kersttoespraken wordt de eindejaarstijd een 'bezinningstijd' genoemd. Een tijd om stil te staan, na te denken, inspiratie op te doen. Velen zeggen vervolgens, dat we er daarna weer volop tegenaan kunnen.

Ik zou onszelf toe willen wensen dat we ook in drukke tijden de moed hebben om stil te staan en ons te bezinnen. En dan niet in je eentje, zoals onder de kerstboom, maar samen met collega’s en leidinggevenden.  Veel vraagstukken waar we mee geconfronteerd worden zijn niet even snel, of in je eentje op te lossen. Het zijn 'Trage Vragen', vragen waarvan de oplossingsrichting zich pas gaat tonen als je ze open en samen onderzoekt. Vragenstukken waar je de juiste woorden nog voor moet vinden, die je letterlijk nog moet be-zinnen. In deze tijd van de kant-en-klaar producten is dat even wennen.

Om een beetje in de stemming te komen heb ik dit kerstverhaal uit de oude doos gehaald. Het is nog steeds geldig!

Kerstverhaal

Met de laatste nieuwsberichten over de bezuinigingen, oorlogen, het toenemend aantal arme gezinnen en het vervuilde milieu, nog nagonzend in mijn hoofd, ging ik op zoek naar kerstcadeautjes.

Ik kwam geheel toevallig in een heel klein straatje terecht. De enige lantarenpaal die er stond, scheen een diffuus licht over de straatstenen. Aan de linkerkant zag ik de etalage van een piepklein winkeltje. Ik werd nieuwsgierig en besloot de deur te openen en naar binnen te gaan. Een klein belletje kondigde mijn binnenkomst aan en weldra verscheen er een prachtige engel achter de toonbank.

Voordat ik mijn verbazing helemaal te boven was, vroeg de engel waarmee hij mij van dienst kon zijn. Maar ik wist eigenlijk niet wat hij verkocht. "Oh", zei de Engel "wij verkopen alles waar mensen gelukkig van worden. Al je wensen kunnen wij vervullen". 

"Verkopen jullie dat?" vroeg ik na een korte stilte. "Ja”, antwoordde de engel “wij verkopen alles waar mensen gelukkig van worden. Je kunt alles vragen".

Met de nieuwsberichten nog in mijn achterhoofd, zei ik: "nou dan wil ik graag met ingang van morgen een beter leven voor arme gezinnen, genezing voor zieke mensen en wereldvrede en een schoon milieu."

De engel keek mij aan met een prachtige en innemende glimlach en hij legde zijn hand op de mijne. Toen antwoordde hij: "Ach, je hebt het verkeerd begrepen. Bij zo’n wens kan ik je niet helpen.
Wij verkopen hier namelijk geen eindproducten, wij verkopen alleen maar zaden"


Veel plezier, samen met je collega’s, met het be-zinnen van de trage vragen die in 2013 op jullie pad komen!

uit de beeldencollectie van Jurga, tentoonstelling Uzerche, zomer 2012

dinsdag 13 november 2012

De kunst van het gewone

Mijn vriendin Marja Korpel stopt met werken. Ik zie haar als begeleidingskundige-avant-la- lettre. Als je Marja aan het werk ziet, zie je “De kunst van het gewone”.

U kent allemaal wel de voorbeelden: Je ziet iemand iets doen en het ziet er zo makkelijk uit, dat je verwacht dat je het zonder problemen na kunt doen. Wanneer je dat probeert lijkt het echter een stuk lastiger dan gedacht.

Dit gevoel is mij meerdere malen bekropen als ik met Marja een teambegeleiding deed. De manier waarop zij in dat team zat, zo gewoon, maar tegelijk zo aanwezig. Ik vond dat fascinerend. En Marja vindt het heel gewoon. Deze blog is een bewerking van de rede die ik bij het afscheid hield.
 
Ik heb de presentatie opgebouwd aan de hand van 4 woorden, die iets over Marja zeggen en bij nadere beschouwing ook iets over De Kunst Van Het Gewone bij het begeleiden van mensen. Deze 4 woorden zijn:
1. Bewegen. Marja is een vervent hardloopster. Het woord bewegen zegt echter ook iets over haar werk. Als trainer of teamcoach, of begeleidingskundige breng je mensen of systemen in beweging.
2. Permanente verwondering. Sommige mensen zullen Marja wel eens naïef noemen. Maar ik zie vooral de open vragende blik, waarmee zij laat zien dat ze graag meer van je wil weten.
3. Statusgevoeligheid, en dan het gebrek hieraan. Bij Marja hoort ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ en ‘ik ben niet belangrijker dan de ander en omgekeerd’.
4. Verbinding. Ik had hier ook het woord Aandacht kunnen zetten. Marja doet iets met aandacht en verbinding.

Ik onderzoek de 4 woorden achtereenvolgens. Na ieder woord maak ik een korte samenvatting. De 4 samenvattingen lichten samen een tipje op van wat De Kunst Van Het Gewone in de begeleidingskunde zou kunnen zijn.

Bewegen
Bewegen doe je als je hardloopt. Dan heb je een doel, je gaat van A naar B.
Kan het fysieke bewegen verbonden worden met het werk van de begeleidingskundige?
Ik heb het mezelf makkelijk gemaakt. Want niemand kan mooier iets over de verschillende kanten van het woord bewegen vertellen dan Andries Baart. Baart is de man van de presentietheorie en een grote inspiratiebron voor velen die te maken hebben met het begeleiden van mensen. 
Baart’s eigen omschrijving van wat de presentietheorie zegt, is: Een praktijk waarbij de zorggever zich aandachtig en toegewijd op de ander betrekt, zo leert zien wat er bij die ander op het spel staat - van verlangens tot angst - en die in aansluiting daarbij gaat begrijpen wat er in de desbetreffende situatie gedaan zou kunnen worden en wie h/zij daarbij voor de ander kan zijn (Baart 2005, p. 41)

Wat zegt Baart over bewegen? Op dit youtube filmpje geeft hij een prachtige beschrijving:

Ik beweeg
Ik beweeg me
Ik laat me bewegen
Ik word bewogen
Ik ben bewogen

“Je geeft iets op van jezelf om te weten te kunnen komen wat de ander beweegt. Dat is zoals je hulp zou moeten verlenen”.


De kunst van het gewone in de begeleidingskunde betekent dat je In de beweging stapt: je beweegt en bent bewogen.


Permanente verwondering
In het boek Narratieve begeleidingskunde van Han en Marianne Banning (2005), wordt de begeleider uitgedaagd om de ander tot het uiterste Niet te begrijpen. Hoe snel zijn wij geneigd om ‘dat snap ik’ te zeggen. De Franse filosoof Levinas leert ons dat je de Ander nooit zult kennen of begrijpen. De ander is de volstrekt onbekende ander, die begint waar jij ophoudt. Maar hoe kun je dan in contact komen met die ‘onbekende ander’?

Banning en Banning noemen in dit kader het begrip Problematiserende Narrativiteit: Wat zegt het verhaal waarmee iemand zijn werk of leven neerzet en kun je daar met permanente bewondering naar kijken en je vragen bij stellen? Onder ‘problematiseren’ wordt verstaan: ‘het doorbreken van wat als gewoon en vastliggend wordt gezien’ en  daarmee: “Het over grenzen heen trekken ten einde nieuwe handelingsalternatieven voor leven en werk te ontdekken” (Banning, 2005. p74). Het narratief, het verhaal en de teksten van de gesprekspartner staan centraal en de begeleider of coach nodigt uit om die teksten kritisch te bekijken, zodat er beweging ontstaat. Je werkt met wat zich voordoet, aan je openbaart, je verwonderd en beweegt.


De kunst van het gewone in de begeleidingskunde betekent dat je In de beweging stapt: je beweegt en bent bewogen.

Je begrijpt het verhaal niet zomaar. Daarmee doorbreek je wat als gewoon en vastliggend wordt gezien en zet aan tot bewegen.


Status (of liever gezegd het gebrek aan behoefte hieraan)
Voor de onderbouwing van dit aspect kwam ik terecht bij de Christelijke traditie, maar er zal bij de uitwerking veel herkend worden uit andere religies. Uit het boek: ‘Het Godsbeeld te boven’, van Cornelis Sanders, gebruik ik het hoofdstuk over Ego-kruisiging: Datgene prijsgeven wat leidt tot de verdediging  van de belangen en de glorie van het ‘ik’. Sanders noemt 4 aspecten, nl.
1. Verliezen om te vinden. Verliezen in de betekenis van loslaten, prijsgeven, zich niet krampachtig aan iets hechten. In dit geval aan het ego of de status.
2. Ontledigen. Dat wil zeggen Leeg- gemaakt. Zonder oordelen, het is goed zoals het is. Het eigen ego met haar principes, oordelen en meningen, wordt buiten beschouwing gelaten.
3. Verspringen van de blik. Pas als je leeg kunt kijken, zie je dingen die je eerder niet zag. Je bent in staat van perspectief te wisselen. (Te helpen) Iets in een ander (of groter) perspectief te zien.
4. Opmerkzaamheid: Het kleine gebaar krijgt een grote betekenis als je het ziet en er niet steeds met je eigen interpretaties tussen zit. Dat wat voor de een normaal is, ziet de ander als bijzonder. De wonderen zijn de wereld nog niet uit, maar je moet ze wel willen zien!


De kunst van het gewone in de begeleidingskunde betekent dat je In de beweging stapt: je beweegt en bent bewogen.

Je begrijpt het verhaal niet zomaar. Daarmee doorbreek je wat als gewoon en vastliggend wordt gezien en zet aan tot bewegen.

Je durft jezelf los te laten, leeg te zijn en zonder oordeel met de ander mee te kijken, waardoor het onbekende zich opent en toont (en kleine wondertjes gebeuren).


Verbinding en Aandacht
In alle geraadpleegde literatuur over begeleiden en hulp verlenen kom ik hetzelfde tegen: De relatie gaat voorop, dan pas komt het probleemoplossend vermogen in actie. Als de relatie ontbreekt, kom je niets wat van waarde is voor de hulpvrager te weten. Ik hoorde gisteren een verhaal over een familielid van mij die met zijn ‘moeilijke voeten’ bij een vaatspecialist kwam. Deze vaatspecialist had alleen oog voor de teen van dit familielid en slaagde erin geen oogcontact te hebben. Deze arts heeft geen enkele informatie over de persoon aan de voet gekregen.
Niet alleen relatie en contact zijn nodig om iets over de ander te weten komen. Als de verbinding er eenmaal is, helpt de Permanente Verwondering om te zien wat er aan de orde is en de Bewogenheid om dit ook ter sprake te brengen.  Want alleen dan staat de ander open om te horen wat je te zeggen hebt. Hoe vaak hoor je niet als coach: ja dat zegt mijn man/vrouw ook. Wat maakt dat de boodschap nu wel binnenkomt?
De observaties worden niet gegeven vanuit de rol van objectieve therapeut die een diagnose heeft gesteld, maar vanuit de rol van betrokken medeonderzoeker die iets opmerkt wat hem of haar zelf puzzelt, waar h/zij nieuwsgierig naar is, maar waar h/zij zonder die relatie of verbinding nooit achter zou komen.

Het woord medeonderzoeker is gevallen. Begeleiden is ook een vorm van onderzoek waarbij coach en hulpvrager(s) samen zoeken naar het verhaal en de achterliggende vanzelfsprekendheden. De onderzoeksmethode is niet die van de objectieve onderzoeker, maar participatief. H/zij brengt haar ervaringen in en daarmee zet h/zij mensen aan het denken, laat ze meedenken. Het inbrengen van je eigen ervaringen is overigens wat anders dan commentaar leveren op wat je ziet of je mening zeggen. Dat noem ik voor het gemak maar even de OMA-positie (Oordelen, Meningen, Aannames) en dat is echt geen kunst! Hier hebben we het leeg luisteren en de bereidheid om bewogen te worden nodig. Dan ontstaat een gesprek dat Dialoog wordt genoemd, in tegenstelling tot een discussie.

De emeritus hoogleraar methodologie en onderzoeksleer Adri Smaling (2008) schrijft het volgende over het onderzoekende/begeleidende gesprek (de dialoog): “Er is geen twijfel over je eigen standpunt. Neen, je houdt je eigen standpunt, maar je toont de bereidheid naar de ander te luisteren en de bereidheid de mogelijkheid open te houden dat je nog iets van de ander zou kunnen leren en dat je de eigen mening toch zou willen bijstellen”.
De begeleidingskundige of coach vermijdt de discussie, maar zoekt de dialoog op (in het boekje van Pim Visser (2012) staat het verschil mooi op een rijtje (p.73) in contact, bewogen, voorbij zichzelf, meezoekend en in verbinding, zonder haar eigen standpunt weg te poetsen.


De kunst van het gewone in de begeleidingskunde betekent dat je In de beweging stapt: je beweegt en bent bewogen.

Je begrijpt het verhaal niet zomaar. Daarmee doorbreek je wat als gewoon en vastliggend wordt gezien en zet aan tot bewegen.

Je durft jezelf los te laten, leeg te zijn en zonder oordeel met de ander mee te kijken, waardoor het onbekende zich opent en toont (en kleine wondertjes gebeuren).

Je bent aandachtig en toegewijd, bouwt een relatie op als medeonderzoeker van het  vraagstuk. Je reflecteert daarbij voortdurend op jezelf. Je toont de bereidheid om te luisteren, zonder je eigen standpunt uit het oog te verliezen. Daarin zit de professionele inbreng van de vakvrouw/man.


Gebruikte literatuur
Andries Baart, Aandacht, etudes in presentie, Lemma Utrecht, 2005

Han Banning en Marianne Banning-Mul, Narratieve Begeleidingskunde, Nelissen Soest, 2005

Cornelis Sanders, Het godsbeeld te boven, Kok Kampen, 2010

Adri Smaling, Dialoog en empathie in de methodologie, SWP Amsterdam, 2008

Pim Visser, Angst of Liefde, dat is de vraag, info@effectievedialoog.nl, 2012

--

Bewerking van de afscheidsrede, gehouden op 9 november 2012 in Hilvarenbeek, op de Invitational Conference ter gelegenheid van het afscheid van Marja Korpel.


Unbalanced Rock

Unbalanced Rock
Dubbelzinnigheid als startpunt voor organiseren: beweging en stevigheid